“Jullie moeten heilige mensen voor Mij zijn; jullie mogen geen vlees eten van een dier dat op het veld is verscheurd, maar dat moeten jullie aan de hond geven” (Exodus 22:30).
Hieruit blijkt een diepgaand inzicht uit de Daas Zekeinim M'Baalei HaTosafos. Het was heel gebruikelijk dat mensen een hond hadden die hun kudde bewaakte. Het vers beschrijft een situatie waarin deze hond zijn baas in de steek liet door een wolf niet te beletten een van de schapen aan te vallen. Ondanks deze tekortkoming, die de baas wellicht zeer boos zou maken, schrijft de Tora voor dat de hond "beloond" wordt met de overblijfselen van het schaap.
Normaal gesproken zou de hond niet zo'n lekker stuk voer krijgen – nu krijgt hij een ongelooflijke traktatie, ook al heeft hij zijn baasje teleurgesteld.
De waarheid is dat dit een zeldzame misstap was. Dag in dag uit beschermt de hond de kudde en brengt hij zelfs zijn leven in gevaar. Een wolf zou hem ook graag te pakken krijgen. Normaal gesproken krijgt de hond geen speciale erkenning voor zijn taak en eet hij de restjes op die overblijven nadat de gezinsleden bijna alles al hebben opgegeten.
Als blijk van waardering voor alle trouwe en onvermoeibare diensten die de hond in het verleden heeft bewezen – en waarvoor hij nooit speciale waardering heeft gekregen – krijgt hij nu iets bijzonders.
We nemen zo vaak alles wat anderen voor ons doen als vanzelfsprekend aan, om vervolgens te klagen wanneer ze een fout maken of niet optimaal presteren. De Tora leert ons hier een belangrijke les: de routinehandelingen die anderen voor ons verrichten zijn niet routine – ze zijn vaak heldhaftig en verdienen onze diepste hakarat ha'tov (waardering).
Door Rabbijn Michael Skobac
© Copyright, alle rechten voorbehouden. Als je dit artikel leuk vond, moedigen we je aan om het verder te verspreiden.
Volg de link voor meer "Verzen uit Tenach".
Meer van rabbijn Michael Skobac